Vlaamse overheid

Op voorstel van de Vlaamse minister van Economie, Jaak GABRIELS, keurde de Vlaamse regering onder voorbehoud van technisch nazicht het besluit tot subsidiëring van bedrijventerreinen, wetenschapsparken en bedrijfsgebouwen principieel goed met het oog op de adviesaanvraag SERV, MiNa-raad en Raad van State.

Dit subsidiebesluit is meteen het eerste uitvoeringsbesluit van het nieuwe decreet 'economisch ondersteuningsbeleid', en dit amper één week na de bekrachtiging ervan door de Vlaamse regering. Het decreet en dit uitvoeringsbesluit zijn beide maatregelen in het kader van het Actieplan Ondernemen.

Het besluit beoogt met financiële ondersteuning een moderne en duurzame economische infrastructuur uit te bouwen. Het richt zich tot twee grote onderdelen, namelijk 1. bedrijventerreinen en 2. bedrijfsgebouwen.

1. Bedrijventerreinen.

Enkele belangrijke algemene voorwaarden tot het verkrijgen van subsidies voor het aanleggen van bedrijventerreinen blijven behouden. Zo kunnen slechts subsidies verstrekt worden voor het uitvoeren van infrastructuurwerken die samen met het terrein gratis opgenomen worden in het openbaar domein.

In tegenstelling tot het verleden wordt er wel meer de nadruk gelegd op een duurzaam gebruik van de beschikbare ruimte. Terreinen die eerst opgeruimd en gesaneerd werden en verouderde bedrijventerreinen die volledig heraangelegd worden, hebben voortaan recht op een verhoogd subsidie- percentage, namelijk 40% in plaats van 25% voor de zogenaamde 'green fields'.

De verouderde bedrijventerreinen die nog in gebruik zijn en geen recuperatie hebben van de aanlegkosten op de verkoop van gronden kunnen rekenen op een tussenkomst van 60% op de subsidiabele investeringen.

Wetenschapsparken kunnen binnen een toegekend contingent dat in zijn totaliteit opgetrokken wordt van 189 ha naar 305 ha met mogelijkheid tot vierjaarlijkse herziening steeds rekenen op een financiële steun van 8O%.

Om de schaarse ruimte optimaal te gebruiken zal voor elk terrein waarvoor een beroep gedaan wordt op subsidies een inrichtingsplan moeten voorgelegd worden dat de algemene inrichtings- en ontsluitingsprincipes ervan omvat in relatie tot het omgevende plangebied; dat de stedenbouwkundige, de economische en ecologische aspecten ervan toelicht en dat oog heeft voor de veiligheid op het terrein inzonderheid de brandveilige inrichting ervan. Tenslotte zal dit plan ook de maatregelen moeten aangeven die leiden tot een flexibel ruimtegebruik zowel op de openbare als de private eigendommen ervan, en dit in functie van de geplande economische activiteiten.

Om de doelstellingen van dit plan te realiseren en een permanente kwaliteitsbewaking te garanderen zal voor elk gesubsidieerd bedrijventerrein een uitgifte- en een terreinbeheersplan moeten ingediend worden.

Het uitgifteplan zal toezien op een zuinige inplanting van percelen en gebouwen, op het behoud van de terreinbestemming en op de stedenbouwkundige bepalingen; het zal speculatie en leegstand tegengaan door een bouw- en exploitatieverplichting op te leggen. De aspecten van het inrichtingsplan met weerslag op de uitgifte van kavels zullen ook in het uitgifteplan moeten voorkomen. Tenslotte zal er een voortgangscontrole op de verkoop- en huurcontracten moeten ingesteld worden om deze kwaliteitsvereisten op lange termijn veilig te stellen. Het uitgifteplan leunt sterk aan bij het overheidsbeleid inzake duurzaam gebruik van bedrijfsgronden. De bepalingen ervan kunnen niet door de bedrijven genegotieerd worden.

Het terreinbeheersplan moet leiden tot een duurzaam onderhoud van zowel openbare als private kavels. Het moet streven naar een nauwe samenwerking met de bedrijven hetgeen op termijn kan uitmonden in een gezamenlijke organisatie van zowel mobiliteit, veiligheid, vuilophaling, sociale voorzieningen, onderlinge uitwisseling van producten enzovoort.

Een kwaliteitsvol aangelegd en beheerd terrein heeft zowel voordelen voor de overheid inzake ruimtegebruik, afvalbeheersing, mobiliteitsproblemen, . als voor de bedrijven die hun economisch voordeel doen door kosten te delen, een aangename werkomgeving mee helpen te bepalen en door een positieve afstraling op het bedrijfsimago.

Goed aangelegde en beheerde terreinen kennen tenslotte ook een langere levensduur.

Het aanleggen van bedrijventerrein wordt dus complexer en duurder zowel door de kwaliteitsvereisten als door de noodzaak om gronden opnieuw in gebruik te nemen.

Daarom wordt de doelgroep van het subsidiebesluit uitgebreid.

Naast de gebruikelijke openbare rechtspersonen (gemeenten, intercommunale verenigingen en G.O.M.'s) worden ook ondernemingen, publiekprivate en zuiver private of publieke samenwerkingsvormen tot de subsidiëring toegelaten maar slechts voor deze werken die achteraf in openbaar domein terechtkomen.

Een controlesysteem met sancties zal er tenslotte over waken dat alle subsidievoorwaarden worden nageleefd.

2. Bedrijfsgebouwen.

Doel van het vernieuwde besluit is het geven van ondersteuning voor de uitbouw van een netwerk van bedrijfsverzamelgebouwen. Er worden drie soorten bedrijfsverzamelgebouwen onderscheiden.

Een eerste soort betreft bedrijvencentra. Deze richten zich tot startende ondernemingen en bieden naast huisvesting en een hoogstaande infrastructuur een dienstenpakket aan waaronder secretariaatdiensten en eerstelijns bedrijfsadvies. Naarmate een jong bedrijf zijn eerste levensjaren in meer of mindere mate succesvol doorstaat, gaat het verzelfstandigen en verandert het behoefteprofiel: een in de regel toenemende behoefte aan grotere bedrijfsunits gaat gepaard met een dalende vraag naar algemene ondersteunende diensten.

De tweede soort gebouwen, multifunctionele gebouwen, speelt hierop in door flexibele bedrijfsunits aan te bieden. Het netwerk van multifunctionele gebouwen biedt nog ruimte voor verdere capaciteitsuitbreiding en volgens de huidige tendens kent de vraag naar bedrijfsruimten in een multifunctioneel gebouw een sterke toename.

Een incubatie- en innovatiecentrum tenslotte biedt aan startende ondernemers een integrale trajectbegeleiding vanaf het idee tot op het moment dat dit idee is omgezet in een leefbare, stabiele en goedgeleide onderneming. De doelgroep zijn bedrijven met hoogtechnologische activiteiten die hiervoor zijn aangewezen op samenwerking met een wetenschappelijke instelling. Een incubatie- en innovatiecentrum mikt op een beperkte doelgroep, maar biedt aan deze groep een intensieve begeleiding.

Een bedrijfsverzamelgebouw moet continu alert zijn voor en kunnen inspelen op de steeds evoluerende behoeften van potentiële klanten als gevolg van lokale, maatschappelijke en technologische ontwikkelingen. Een beheersformule met lokale streekgebonden aandeelhouders en met inbreng van trekkingsrechten via de GOM of de opdrachthoudende vereniging bij de oprichting blijft bijgevolg behouden.

Gezien de toegenomen bouwtechnische en infrastructurele eisen van een bedrijfsverzamelgebouw werd het maximum plafond van de toegekende subsidies verhoogd. Voor een bedrijvencentrum werd het plafond opgetrokken tot 250.000 euro, voor een multifunctioneel gebouw bedraagt het plafond 500.000 euro en voor een innovatie- en incubatiecentrum werd het plafond eveneens opgetrokken naar 500.000 euro.

Een belangrijk knelpunt voor een verdere ontplooiing van deze bedrijfsverzamelgebouwen ligt in het feit dat een aantal gebouwen dringend gemoderniseerd of uitgebreid dient te worden. De procedure voor uitbreidings- en moderniseringswerken werd aangepast en vereenvoudigd. Naast een kapitaalsinbreng via het eigen vermogen van de vennootschappen die een bedrijfsverzamelgebouw beheren, kunnen subsidies als hefboomkrediet worden verleend teneinde de vermogensaangroei van een aantal bedrijven- centra te mobiliseren.

persinfo : Mark Vanleeuw, woordvoerder van minister Gabriels - tel. 02 553 12 00
e-mail: persdienst.gabriels@vlaanderen.be
---

Deel: ' Subsidiëring van bedrijventerreinen in Vlaanderen '




Lees ook